Awassa bruist van de handelaren en hosselaars op straat. Aan kleinschalige bedrijvigheid is absoluut geen gebrek. Wandelend van mijn verblijf bij Lake Awassa, over de Piazza met exotische palmbomen en grasgroene middenbermen, naar het monument in het centrum van Awassa, proberen tal van Ethiopiërs op straat aan geld te komen. Zo vallen de dames met volle bakken hete houtskolen en zakken met maiskolven direct op. Iedere ochtend staan ze langs de kant om de geroosterde maiskolven, die overigens heerlijk smaken, te verkopen aan passanten. Voor de schoenen aficionados staan om de 10 meter jonge mannen paraat met hun arsenaal aan borstels, smeerpoets, zeep en een emmer water om de nette stappers te voorzien van een zwart metallic lak en sportieve tekkies van voorbijgangers te laten glinsteren alsof ze net zijn uitgepakt. Rolstoelen worden door de Ethiopische kooplieden ook creatief ingezet. Hosselaars hebben rolstoelen effectief omgebouwd tot mobiele verkoopkramen, waar ze sigaretten, tissues, kauwgom, lolly’s, cake, koekjes, wc-rollen, boxershorts, sokken en andere goederen aan de man proberen te brengen.
De (jong-)volwassenen zijn niet de enigen die hun goederen en diensten proberen te verkopen. Zo zijn er jongens die altijd een ruime voorraad “Natural Colgate” (i.e. De Munnik, 2011) op zak – een soort van houten tandenborstel. Ook staan langs het trottoir (digitale) weegschalen die bemand worden door kinderen, die het gewicht van lokale voorbijgangers te wegen. Elke keer als ik langs loop heb ik de neiging om wat aan hun situatie te doen. Het enige wat ik voor mijn gevoel kan doen is vriendelijk lachen, ze begroeten met ‘Salam no’ en een high-five geven. Hoewel ze dat enorm waarderen, behouden ze toch hun positie achter de weegschaal. De kinderen geld geven is geen optie. Daarmee draag ik niet alleen bij aan een tijdelijke oplossing maar steun ik ook het behoud van de status quo. Terwijl ik een absolute voorstander ben voor verandering: educatie voor kinderen én kansen creëren voor hun ouders, zodat zij het levensonderhoud van hun gezin kunnen bekostigen.
Awassa treurt om de vele bedelaars en daklozen die een onmisbaar onderdeel zijn van het straatbeeld. Als je over straat loopt wordt je door tal van kinderen aangesproken met ‘you’ dat direct wordt opgevolgd met het woord ‘money’ of ‘1 Birr’. Sommige bedelaars lopen enkele tientallen meters met je mee om uiteindelijk toch een felbegeerde 1 Birr in ontvangst te nemen. Een smeekbede in het Amhaars is ook eerder regel dan uitzondering. Een enkele keer houden ze je arm of hand vast of, in een zeer bijzonder geval, geeft iemand je een kus op de arm.
Religie is de aanstichter van de overdaad aan bedelaars. Doordat religie sterk verweven is met de Ethiopische samenleving wordt er op grote schaal op straat gebedeld, zowel in Awassa als in de hoofdstad Addis Abeba. Vanuit de Ethiopisch orthodoxe kerk en de Islam worden gelovigen gestimuleerd om aalmoezen aan de armen te geven. Dit zorgt ervoor dat kinderen, gehandicapten, daklozen en moeders met baby’s/peuters hun heil zoeken op straat door te bedelen. Forengi’s (Westerlingen) worden daardoor vaak aangesproken door bedelaars voor een gift, vaker dan de lokale voorbijgangers. In het ergste geval wordt je aangedrongen om iets te geven, vaak door kinderen. Dat laatste heeft ervoor gezorgd dat ik vooral de bedelende kinderen negeer. Omdat ik het niet alleen vervelend maar ronduit irritant vind. Het idee achter Umthombo – een straatkinderenproject in Durban, Zuid-Afrika – is een mooi voorbeeld van hoe de problematiek rondom straatkinderen aangepakt kan worden in Awassa. Vanochtend heb ik een Ethiopiër ontmoet die bezig is met de voorbereidingen voor een soortgelijk initiatief. Ik hoop dat hij in de (nabije) toekomst de straatkinderen in Awassa een beter onderkomen en vooruitzicht kan bieden dan zij op dit moment hebben.
Hoewel ik bedelen verkeerd vind en er grote moeite mee heb dat er constant een beroep op mij wordt gedaan, kan ik wel steeds beter begrijpen waarom veel gehandicapten in Ethiopië dat zien als (laatste) optie om aan geld te komen. Gehandicapten zijn een bijzonder geval. Door hun fysieke beperking worden zij zwaar gestigmatiseerd en gediscrimineerd, net als HIV besmette personen. Het feit dat deze mensen in een buurt bij elkaar worden geplaatst door de (lokale) overheid toont al aan dat deelname aan de samenleving wordt bemoeilijkt. Samen met mijn medevrijwilligers heb ik bezoeken gebracht aan deze zogenoemde ‘compounds’ waar gehandicapten wonen, om meer te weten te komen over hun leefsituatie en hoe zij daarover denken. De verhalen van deze mensen hebben mij diep geraakt. Hoewel alle mensen die ik heb bezocht mij zullen bijblijven, zal ik één man in het bijzonder niet vergeten. Hij had zijn verhaal nog nooit gedaan aan buitenlanders en wilde graag zijn situatie met ons delen. De openheid en kwetsbaarheid die deze man toonde was voor mij ongekend. Door zijn fysieke beperking, HIV status en povere situatie was deze man zo aangedaan dat hij zich vaak zorgde maakte om het welzijn van zijn dochter. Hij was emotioneel aangeslagen en dat maakte een diepe indruk op mij.
Project AETSD - of voor mij project Triple D (Don’t dis disability) - maakt zich hard voor gehandicapten, in het bijzonder blinden en doven. Zij geven deze mensen een stem en willen zich richten op hun ‘ablitiy’ en niet ‘disability’. Want deze mensen willen heel graag werken, hun tijd zinvol besteden. Als ze daar maar de kansen voor krijgen. Ik ben ervan overtuigd dat project Triple D samen met de toekomstige vrijwilligers die kans kan gaan creëren.
Debbie - Be More
Wow... treffend verwoord!